De Japanse Crisis

Hieronder een verhandeling van Jeffrey Herbener over de Japanse economie (vertaald door Albert Spits), die zich al zeker 12 jaar in een diepe crisis bevindt en waarvoor geen enkele verbetering in zicht is in de nabije toekomst. Japan vormt de generale repetitie voor wat er in Amerika en in mindere mate in Europa zal plaatsvinden in de aankomende jaren.

Economen hebben inflatie aanbevolen om de “Japanse ziekte” te helen, terwijl men waarschuwingen gaf m.b.t. de grote gevaren van deflatie.
Dit is de grootste onzin. Met uitzondering van oorlogen brengt een ongebreideld geld- en kredietbeleid van de centrale banken de wereld meer economische schade toe dan wat dan ook. Van Duitsland in de 20er jaren, China in de 40er jaren, verscheidene Latijns-Amerikaanse landen in de 80er jaren, tot Indonesië en Joegoslavië in de 90er jaren.

Het is precies vanwege dit beleid, dat Japan zich nu in het midden van een economische crisis bevindt. Omdat men de yen-geldhoeveelheid met 10,5% per jaar omhooggeschroefd heeft van 1986-1990 en de interbancaire rente van 6% tot 0,5% heeft verlaagd in 1991, heeft de Japanse Centrale Bank het land in feite een kunstmatige hoogconjunctuur gegeven. In plaats van deze kunstmatige hoogconjunctuur te laten corrigeren, hebben economen gevraagd om nog meer kredietexpansie, dus exact hetzelfde wat de problemen in eerste instantie hebben veroorzaakt. Het alternatief daarentegen – deflatie – werd gezien als zo’n groot gevaar dat zelfs voortgaande monetaire inflatie van de Japanse centrale bank als een geaccepteerde verdediging daartegen werd beoordeeld.

Er zijn 2 economische scholen die dit geloven.

Monetaristen vinden dat een onvoldoende elastische geldhoeveelheid bedrijfsactiviteiten vertragen. Economische groei vraagt om geld om dat te kunnen financieren, dus moet de geldhoeveelheid elk jaar worden uitgebreid ten aanzien van de gemiddelde groei. welke in principe geen gevolg zou moeten hebben voor het algemene prijsniveau. In een markteconomie, wat als monetaire standaard de goudstandaard heeft groeit in hun ogen de geldhoeveelheid niet snel genoeg en heeft dan deflatie als gevolg en omdat de kosten niet omlaag gaan, zou dit verliezen veroorzaken en de economische groei vertragen.

Het probleem met dit gezichtspunt is de fout om in te zien dat elke geldhoeveelheid voldoende is om de noodzakelijke commerciële transacties te kunnen uitvoeren in een markteconomie. Een grotere geldhoeveelheid betekent alleen dat alle commerciële transacties worden gemaakt in een omgeving met hogere prijzen voor goederen en productiefactoren. Wanneer de geldhoeveelheid lager is, dan gebeurt er hetzelfde maar dan in een omgeving met lagere prijzen voor dezelfde goederen en productiefactoren. In alle gevallen blijven de winsten hetzelfde.

Ondernemers verwachten lagere prijzen als de geldhoeveelheid “te langzaam” groeit, omgekeerd verwacht men hogere prijzen wanneer de geldhoeveelheid “te snel” groeit. In het laatste geval veroorzaakt de prijsinflatie geen excessieve winsten en in het eerste geval veroorzaakt prijsdeflatie geen onvoldoende winsten.

Bovendien leidt kapitaalaccumulatie tot economische groei. Wanneer het aanbod van kapitaalgoederen groeit dan gaan de prijzen daarvan omlaag en in het verlengde daarvan, zakken dan ook de productiekosten. Dus, lonen hoeven niet te zakken om winstgevendheid en werkgelegenheid in stand te houden. Dit punt wordt duidelijk gemaakt door de Amerikaanse economie van de jaren 80 in de 19e eeuw, toen zowel de prijzen van consumentengoederen als die van kapitaalgoederen omlaag gingen, omdat meer van beide werd geproduceerd. De lonen en winsten werden toen ook in stand gehouden. Een recenter voorbeeld is de ccomputerindustrie in de laatste twee decennia,

Wanneer prijsdeflatie gebeurt in een ongehinderde markteconomie betekent dit eenvoudig dat mensen daarvan de vruchten plukken, omdat hun geld in waarde stijgt (men kan meer producten aanschaffen voor hetzelfde geld).

Men kan het met Milton Friedman eens zijn als hij zegt dat een algemene prijsdeflatie onmogelijk is zolang centrale banken de geldhoeveelheid opschroeven. Maar als dit de monetaire oplossing was op de crisis, dan zou Japan niet meer lijden onder deze situatie, want de Japanse centrale bank heeft de hoeveelheid yen zo uitgebreid gedurende de 90er jaren, dat dit voldoende was om de prijzen praktisch op hetzelfde niveau te houden. Evenmin zou de kredietexpansie van de Federal Reserve (Amerikaanse centrale bank) in de jaren 20 de crisis van de 30er jaren hebben veroorzaakt, omdat de prijzen constant werden gehouden tijdens dezelfde 20er jaren.

John Maynard Keynes had een andere opinie over deflatie. Hij vond, dat de tekortkoming van de markteconomie voor onvoldoende elasticiteit van de geldhoeveelheid zorgde en daarbij de schaarste van kapitaalaccumulatie veroorzaakte. De centrale bank kon dit rectificeren d.m.v. kredietexpansie om de kapitaalaccumulatie te stimuleren. Dit was moeilijk onder de goudstandaard, want de handen waren daarbij gebonden en dit betekende dat de geldhoeveelheid niet “voldoende” kon worden uitgebreid. Daarom moest deze “barbaarse relikwie” (barbarous relic) worden uitgebannen, om zodoende alle beperkingen weg te nemen teneinde de kredietexpansie van centrale banken te kunnen faciliteren.

In tegenstelling tot wat Keynes beweerde, in plaats van kapitaalaccumulatie, zorgt kredietexpansie voor de creatie van een kunstmatige economische oplevings- en neergangsfase. Dit extra gecreëerd geld wordt gebruikt om bancaire waardepapieren aan te schaffen, welke hun kredietmassa verhoogt en de bankrente verlaagt. Ondernemers en consumenten lenen dit geld en geven het uit aan respectievelijk kapitaalprojecten en consumentengoederen. De prijzen van zowel de kapitaalgoederen als consumentenproducten stijgen, waardoor de productie meer winstgevend wordt en bewerkstelligt daarom een verschuiving van productieve factoren naar deze sectoren vanuit andere delen van de economie. Als dit voortvarend gebeurt, zoals dat door de Japanse centrale bank werd gedaan in de jaren 80, dan leidt deze kredietexpansie tot een zeepbel in vaste activa-prijzen (aandelen en onroerend goed).

De economische opleving eindigt wanneer de kredietexpansie van de centrale bank niet langer kunstmatige lagere rentestanden in stand kan houden.
Dit gebeurt normaliter wanneer de monetaire inflatie resulteert in een behoorlijk wijdverspreide prijsinflatie. Zodra mensen zich realiseren dat de koopkracht van het geld lager zal zijn in de toekomst, worden de rentestanden naar boven toe bijgesteld. Soms, zoals in Japan is gebeurd in 1989, beëindigt de centrale bank de monetaire inflatie. In elk geval zorgen deze hogere rentestanden voor de ineenstorting van de kapitaalwaarden van zowel aandelen als huizenprijzen.
Nadat de activa-prijzen in elkaar zijn gestort zorgt dit weer voor verliezen van producenten van kapitaalgoederen en consumentenproducten en moeten deze de productie noodgedwongen verminderen.

De werkelijke financiële correctie van de kunstmatige en onhoudbare inflatie van activaprijzen, veroorzaakt door de kredietexpansie van centrale banken gedurende een opleving, is een deflatie van diezelfde activaprijzen. Niet langer gehinderd door afwijkingen, tonen de prijzen nu de waninvesteringen en maakt het de overdracht en liquidatie van deze investeringen naar andere meer waardevolle sectoren weer winstgevend.
Conclusie: activaprijsdeflatie is de manier van de markteconomie om de functie te herstellen om effectief consumentenvoorkeuren tevreden te stellen.

Maar wat werkelijk Keynesianen beangstigt, is niet de deflatie van vaste activa maar de soortgenoot: kredietinkrimping.
Wanneer de centrale bank papiergeldinflatie veroorzaakt tijdens een economische opleving dan breiden handelsbanken hun krediet en deposito uit. Bezittingen (activa) worden geherwaardeerd tegen de op topniveau geinflateerde prijzen om te dienen als onderpand t.o.v. deze leningen. Wanneer de activaprijzen ineenstorten en leners hun leningen niet meer terug kunnen betalen, wordt de nettowaarde van de banken zelf negatief. Deze banken trekken zich dan terug vanwege deze slechte leningen door hun kredietbeleid aan te passen (minder leningen). De klanten van deze banken realiseren zich dat de banken in moeilijkheden zitten en vragen daarom hun deposito terug, waardoor de situatie wordt verergerd d.m.v. de verkleining van de bankreserves en de banken verder onder financiële druk worden gezet.

Met de handelsbanken in moeilijkheden, zal elke reflatie (extra geld pompen in de economie) mislukken om voor verdere expansie te kunnen zorgen. Keynesianen zaten er compleet naast wanneer zij de onmacht van de Japanse centrale bank konden verhelpen door het herstarten van de kredietexpansie in de jaren 90. Maar het probleem is niet dat de rente laag is, want iedereen verwacht dat deze stijgt en daarom wordt contant geld vastgehouden. Handelsbanken weigeren om leningen aan te gaan, omdat zij nog steeds herstellen van de naweeën van de slechte leningen uit de jaren 80. Elke geldinjectie wordt als reserve daartegen vastgehouden.
Bedrijven weigeren om leningen af te sluiten, omdat zij nog steeds te lijden hebben van de hoge schulden, die zijn aangegaan in diezelfde 80er jaren, waarmee toen de productiecapaciteit was uitgebreid en de overcapaciteit die van deze waninvesteringen het gevolg is geweest.

Zelfs als het de Japanse centrale bank lukt om de geldhoeveelheid verder uit te breiden (reflatie) buiten het bankwezen om, d.m.v. schulden rechtstreeks op de markt aan te kopen, kan het toch niet de monetaire deflatie of kredietinkrimping tegenhouden. In plaats daarvan, begint de reflatie een aparte stroom van afwijkende prijzen en productie op gang te brengen. Neem als voorbeeld de yenhandel van 1995-1997, toen de Japanse handelsbanken de kredieten in Aziatische landen gingen uitbreiden, verergerde deze kredieten de waninvesteringen van hun economische oplevingen aanzienlijk. Zodra de financiële crises toesloegen in deze landen, resteerden bij Japanse bedrijven de overcapaciteit van hun Aziatische dochterondernemingen en zaten Japanse banken opgescheept met nog meer schulden.

Als eenmaal de waninvesteringen van de economische opleving zijn gemaakt moeten uiteindelijk de verliezen worden genomen door deze te liquideren.
Als de overheid niet intervenieert, zal deze liquidatie voorspoedig geschieden, zoals in de Amerikaanse recessie van begin 80er jaren. Maar als de overheid probeert de liquidatie te voorkomen d.m.v. reddingsoperaties, fiscale uitgaven, reflatie e.d. zoals Japan dat gedaan heeft in de 90er jaren en de VS in de 30er jaren, dan blijft de crisis bestaan. Als Japan de economie op lange termijn verwacht te herstellen, dan moet het per direct zijn monetaire inflatie en kredietexpansiebeleid afschaffen, al dan niet gerechtvaardigd op Keynesiaanse of monetaristische gronden.

Jeffrey Herbener is een Amerikaanse econoom van Grove City College in Pennsylvania en een prominent lid van de Oostenrijkse School voor Economie.

Geplaatst in financiële crisis | Getagd met , , | Reacties gesloten

Monetarisme

De meeste economen geloven dat een groeiende economie een groeiende geldhoeveelheid nodig heeft, omdat de economische groei een grotere vraag naar geld inhoudt, waarin moet worden voldaan. Als men dit zou nalaten, zo is de redenering, zal dat leiden tot een afname van de prijzen van zowel goederen als diensten, zodat het de economie zal destabiliseren en zodoende een economische recessie, of zelfs nog erger een economische crisis tot gevolg zal hebben.

rothbardbigger Monetarisme Omdat de groei van de geldhoeveelheid zo belangrijk wordt geacht is het niet verbazingwekkend dat economen voortdurend zoeken naar een exacte percentuele groei, of een optimale groei van de geldhoeveelheid. De grootste exponent van deze economische stroming zijn de volgelingen van Milton Friedman, ook bekend als monetaristen. Deze economen willen dat de centrale bank de geldhoeveelheidgroei tegen een vast percentage tot doel stelt. Zij stellen dat als dit percentage wordt aangehouden over een langere tijdsperiode het een tijdperk van economische stabiliteit zal inluiden.

Het hele idee dat geld moet groeien om de economische groei te laten voortduren geeft de indruk dat geld op enigerlei wijze de economische activiteiten in stand kan houden. Als dit zo was, dan zouden de meeste Derde Wereldeconomieën nu uit hun armoede zijn gehaald middels het langdurig drukken van grote hoeveelheden geld.

Volgens Murray Rothbart daarentegen, kan geld niet worden geconsumeerd en kan het dus niet worden gebruikt als producentengoederen in een productief proces. Daarom is geld in wezen onproductief; het is een dood goed en produceert niets. Land en kapitaal zijn altijd in de vorm van goederen, of specifieke productieve instrumenten. Geld wordt altijd bewaard op een rekening van iemand. De taak van het geld is eenvoudig om te fungeren als een ruilmiddel. Geld financiert noch economische activiteit, noch houdt deze in stand. De middelen van bestaan of de financiering daarvan wordt gedaan door gespaarde werkelijke goederen en diensten. Door het vervullen van de rol van ruilmiddel faciliteert geld alleen de stroom van goederen en diensten.

Historisch gezien werden verschillende goederen gebruikt als ruilmiddel. Ludwig von Mises had hierover het volgende te zeggen:

“Er zou een onvermijdelijke tendens zijn om de minst verkoopbare goederen als ruilmiddel te gebruiken en deze één voor één te laten afvallen totdat er één enkel goed overbleef, welke dan universeel zou kunnen worden geaccepteerd als ruilmiddel, in één woord: geld.”

Dankzij het voortgaande selectieproces over duizenden jaren, hebben mensen besloten, dat goud als een algemeen ruilmiddel kon worden gebruikt. De meeste eigentijdse economen betwijfelen of goud aan de rol van geld als ruilmiddel kan voldoen in de moderne maatschappij, ofschoon zij wel de historische evolutie accepteert. Deze economen beweren, dat in verhouding tot de vraag naar geld, het resultaat van groeiende economieën, de hoeveelheid goud niet kan voldoen.

goldbigger Monetarisme Bovendien, wanneer men in ogenschouw neemt dat een groot deel van het ontgonnen goud wordt gebruikt voor sierraden, dan laat het de geldhoeveelheid bijna onveranderd over de tijdsperiode. Kort gezegd, er wordt verondersteld dat de vrije markt, door een te kleine voorraad aan goud, het tekort in de geldhoeveelheid veroorzaakt. Deze zou op haar beurt het risico inhouden van een destabilisatie van de economie. Het is deze reden, dat de meeste economen, zelfs diegenen die het idee van de vrije markt aanhangen, het inzicht steunen dat de geldhoeveelheid moet worden gecontroleerd door de regering.

Maar is dit wel een zinvolle verklaring?

Wanneer we spreken over een vraag naar geld, is wat we eigenlijk bedoelen een vraag naar het besteedbaar vermogen van het geld. Want eigenlijk willen mensen geen grotere hoeveelheid geld in hun zakken, maar willen ze een groter besteedbaar vermogen.

Von Mises schreef hierover:

“De diensten die geld genereren staan in relatie tot de hoogte van het besteedbaar vermogen. Niemand wil contant geld in zijn portemonnee, of een vastgesteld aantal geldstukken, of een bepaald gewicht in geld, men wil een contant bezit van een bepaalde hoeveelheid bestedingsvermogen. In een vrije markt wordt de prijs van geld bepaald door vraag en aanbod, net als met andere goederen. Daarom zal, als er minder geld is, de wisselwaarde daarvan hoger zijn. Aan de andere kant zal de wisselwaarde dalen, als er meer geld in omloop is. Kortom, binnen het kader van de vrije markt kan er nooit zoiets zijn als “te weinig” of “te veel” geld. Zolang de werking van de vrije markt wordt toegestaan kan er nooit een tekort aan geld ontstaan.”

Daarom zal, als de markt eenmaal een bepaald goed als geld heeft gekozen, de hoeveelheid van dit goed altijd voldoende zijn om de diensten veilig te stellen waar het geld in voorziet. In een vrije markt is dus het hele idee van een optimale geldgroei een absurditeit.

Volgens Ludwig von Mises:

“Als de werking van de markt naar een eindstadium neigt t.a.v. het bestedingsvermogen van het geld tot een bepaald niveau, waar vraag en aanbod van geld samenkomen, dan kan er nooit een overvloed of tekort aan geld zijn. Elk individu of alle mensen samen zullen altijd de voordelen ervaren die het geld brengt middels indirecte handel en het gebruik van dat geld, ongeacht of de totale geldhoeveelheid groot of klein is. De diensten die geld faciliteren kunnen noch worden verbeterd, noch worden hersteld door het veranderen van de geldhoeveelheid. De aanwezige geldhoeveelheid in de gehele economie is altijd voldoende om iedereen bij te staan.”

Maar hoe kunnen we er zeker van zijn, dat het aanbod van een geselecteerd goed als geld niet opeens snel toeneemt, vanwege onvoorziene omstandigheden? Zou het dan niet de welvaart van mensen kunnen ondermijnen? Wanneer dit zou gebeuren, dan zouden mensen dit goed verlaten en een ander goed daarvoor in de plaats nemen. Individuen die er naar streven om hun leven en welvaart in stand te houden, zouden dan een goed kiezen dat niet onderhevig is aan voortgaande afname van het bestedingsvermogen.

Dit is de essentie van het selectieproces van de vrije markt en de reden, waarom dit duizenden jaren in beslag nam voordat goud als meest gebruikt goed in zwang raakte. Vanwege het lange gerekte marktselectieproces, ligt het dus voor de hand, dat goud het meest geschikte goed is om de rol van geld te vervullen. Maar zelfs als we het eens worden, dat de wereld onder een goudstandaard beter wordt om in te leven in plaats van onder het huidige monetaire systeem, dan moeten we natuurlijk praktisch zijn en aankomen met oplossingen, die overeenkomen met de huidige realiteit. Namelijk, dat in de wereld van vandaag centrale banken bestaan en dat we geen goudstandaard hebben. De vraag rijst wat dan de correcte geldhoeveelheidgroei zou moeten zijn, met deze realiteit voor ogen.

Het is echter niet mogelijk om een systeem te ontwikkelen voor een “correcte” geldhoeveelheidgroei, wanneer centrale autoriteiten het marktgeselecteerde geld onder druk hebben verwisseld voor papier geld.

Oorspronkelijk werd papier geld niet gezien als geld, maar alleen als vertegenwoordiging van goud. Diverse papieren certificaten vertegenwoordigden aanspraken op goud, welke werden ondergebracht in banken. De houders van de papieren certificaten konden deze ten alle tijde omwissen in goud, wanneer men dat nodig vond. Omdat mensen het gemakkelijker vonden om papieren certificaten te gebruiken om goederen en diensten af te nemen, werden deze certificaten daarom ook gezien als geld. Het gebruik van papieren certificaten als uitwisseling- of betaalmiddel opende echter ook de mogelijkheid tot frauduleuze handelingen. Banken kwamen in de verleiding om hun winsten te verhogen door uitgifte van extra certificaten die niet werden gedekt door goud. In een vrije markteconomie zou een bank snel tot de ontdekking komen dat wanneer deze extra papieren certificaten zou uitgeven, de waarde van deze certificaten snel zou dalen ten aanzien van de aanschaf van goederen of diensten.
Om hun besteedbaar inkomen te beschermen, proberen de houders de extra certificaten weer om te wisselen in goud. Als iedereen gelijktijdig het goud terug zou willen dan zou dit tot het bankroet van de bank leiden. In een vrije markt zou de dreiging van een bankroet de banken ervan weerhouden om ongedekte papieren certificaten uit te geven. Von Mises schreef hierover:

fakeeuro Monetarisme “De mensen refereren vaak aan het credo van een anonieme Amerikaan geciteerd door Tooke: Vrijhandel in bankieren is vrijhandel in zwendel. Vrijheid in de uitgifte van bankbiljetten, zou het gebruik van bankbiljetten behoorlijk verminderd hebben of zelfs geheel overbodig hebben gemaakt. Het was dit idee wat Cernusch opperde in de verhoren van het Franse bankonderzoek op 24 oktober 1865: “Ik geloof dat wat vrijheid wordt genoemd in bankieren zou resulteren in een complete opheffing van bankbiljetten in Frankrijk. Ik wil iedereen het recht geven om bankbiljetten uit te geven, zodat niemand dan bankbiljetten hoeft aan te nemen.” Dit betekent in een vrije markteconomie, dat papiergeld nooit een “eigen leven” kan leiden en onafhankelijk kan worden van waardegeld zoals goud.”

De regering daarentegen kan de vrije marktdiscipline omzeilen en een decreet uitvaardigen dat banken wettigt om te veel uitgegeven bankpapier niet te hoeven om te wisselen tegen goud. Als banken eenmaal niet meer verplicht zijn om bankpapier om te wisselen in goud kan dat voor hun een motivatie zijn om veel winsten te genereren door een onbeperkte expansie van de geldhoeveelheid. De ongebreidelde geldexpansie maakt het waarschijnlijker dat er een buitensporige verhoging ontstaat in de prijsindex van goederen en diensten die weer kan leiden tot een inzinking van de markteconomie.

Om zo’n inzinking te voorkomen moet de hoeveelheid van het papiergeld worden beheerst. Het hoofddoel van deze geldbeheersing is om te voorkomen dat diverse concurrerende banken meer geld uitlenen dan ze hebben en elkaar bankroet te maken. Dit kan worden bereikt door de oprichting van een monopoliebank, ofwel een centrale bank, die de expansie van de papiergeldhoeveelheid beheerst.

Zoals Hoppe zei: “Als een instelling in staat wordt gesteld om waardegeld met fiatgeld te verwisselen dan moet de volgende voorwaarde zijn dat de vrije toegang tot de productie van dit fiatgeld wordt beperkt en daardoor een geldmonopolie moet worden ingesteld.”

Om haar autoriteit te verantwoorden introduceert de centrale bank haar papiergeld, die al het andere geld van de diverse banken vervangt. Het besteedbaar vermogen van het centrale bankgeld wordt bepaald door het feit dat de diverse papiergeldbiljetten worden omgewisseld door de centrale bank tegen een vaste koers. Dus het centrale bankgeld wordt volledig gedekt door het diverse bankpapier, dat een historische schakel had ten aanzien van goud.

Het geld van de centrale bank, dat inmiddels tot wettelijk betaalmiddel is benoemd, wordt tegelijkertijd ook een financiële reserve voor de banken. Dit stelt de centrale bank in staat om een limiet te zetten op de kredietexpansie in het banksysteem.

Hieruit zou volgen dat de centrale bank het monetaire systeem kan beheren en stabiliseren. De waarheid is echter precies het tegenovergestelde. Om het systeem te beheren moet de centrale bank constant geld creëren uit het niets om te verhinderen dat de banken elkaar in het bankroet storten. Dit leidt automatisch tot een ontwaarding van het geld, die op haar beurt weer leidt tot een destabilisering van het gehele monetaire systeem. De tendens om het systeem te destabiliseren wordt ook nog versterkt doordat een geldmonopolist natuurlijk wordt gestimuleerd om de eigen belangen na te streven.

Volgens Hoppe:

“De geldmonopolist kan biljetten drukken tegen bijna nul kosten en dan daarmee waardegoederen kopen, (o.a. consumenten- of producentenartikelen), of deze gebruiken om de schuldenlast af te lossen. Het vermogen van het gewone publiek wordt gereduceerd, omdat zij minder goederen bezitten en hun geld minder waard is geworden, terwijl het vermogen van de geldmonopolist zal vermeerderen, omdat hij meer waardegoederen bezit en hij altijd over zoveel geld kan beschikken als hij zelf wil. Wie zou, in die situatie, niet overgaan tot een geleidelijke expansie van de geldhoeveelheid en hierdoor een voortdurende ontwaarding van de valuta veroorzaken? U kunt zien dat in een vrije marktsituatie mensen nooit waardegeld zouden willen accepteren als dit voortdurend in waarde zou dalen, maar in het huidige stelsel wordt de bevolking door de centrale overheid gedwongen om dit geld aan te nemen en daarmee een continue afname te zien in hun besteedbaar inkomen.”

Omdat het huidige monetaire stelsel fundamenteel onstabiel is moet de centrale bank doorgaan met het drukken van geld uit het niets om een ineenstorting van het systeem te vermijden. Het maakt niet echt uit welke opzet de centrale bank kiest zolang er maar geld in het systeem wordt gepompt. Ongeacht de gebruikte methoden zullen de economische cycli steeds gewelddadiger worden met het verstrijken van de tijd.

Zelfs de methode van Milton Friedman, om de geldgroei vast te zetten op een bepaald percentage, zal op niets uitlopen, want een vast percentage geldgroei vertegenwoordigt nog steeds geldgroei, die weer leidt tot een uitwisseling van iets voor niets, dat wil zeggen een verdere economische verarming gedurende de economische cycli.

Wat zou er gebeuren als we nu de centrale bank zouden opdoeken en de huidige geldhoeveelheid in stand zouden houden? Zou dat geen oplossing zijn? Nee, dat zou het niet zijn. Een ongewijzigde geldhoeveelheid zou een onmiddellijke ineenstorting veroorzaken van het huidige monetaire stelsel, want het hedendaagse stelsel overleeft alleen dankzij de voortdurende geldinjecties van de centrale bank ter voorkoming van het bankroet van het fractionele banksysteem.

Het is daarom niet verbazingwekkend dat de centrale bank haar toevlucht zoekt tot telkens grotere monetaire injecties wanneer er een dreiging is t.a.v. politieke of economische schokken. Als voorbeeld moesten eventuele verstoringen van het monetaire systeem worden voorkomen als gevolg van de terroristische aanvallen van 11 september 2001, toen de Federal Reserve in Amerika zo’n 100 miljard dollar het systeem inpompte.

Hoe lang de centrale bank dit huidige stelsel in stand kan houden is afhankelijk van de werkelijke financieringsbron (dit is de onderliggende waarde waarop leningen of hypotheken zijn gebaseerd, red.). Zolang deze financieringsbron blijft groeien (of de bereidheid van leners om te blijven lenen, red.) kan de centrale bank het stelsel overeind houden. Maar als eenmaal de financiering begint te stagneren of, erger nog, begint in te krimpen, dan zal geen enkel geldpompsysteem in staat zijn om een inzakking van het systeem te voorkomen.

In een werkelijk vrije markt zou, als gevolg van een grote marktverstoring, de vraag naar goud toenemen en het bestedingsvermogen van het geld worden verhoogd en dat zou dan alles zijn, geen enkele verdere verstoring zou dan plaatsvinden. Het monetaire stelsel zou dan intact blijven. In tegenstelling tot ons huidige stelsel zou geld in een echte vrije markt nooit verdwijnen en een gevaar zijn voor de resulterende economische cycli.

In het geval van fractioneel bankieren zal, wanneer het geld wordt terugbetaald en de bank de lening niet voortzet, ditzelfde geld dan weer verdwijnen in het niets. Omdat ook de lening uit het niets is gecreëerd, heeft deze lening eigenlijk nooit een eigenaar gehad. In een vrije marktstelsel zou het goud dat wordt terugbetaald zijn teruggegeven aan de oorspronkelijke lener, dus blijft de oorspronkelijke geldvoorraad intact.

Conclusie

Vanwege de fundamentele onstabiliteit van ons huidig monetair stelsel kan er nooit een ‘correcte’ geldhoeveelheidgroei zijn. Of de centrale bank nu geld pompt in het systeem, of de geldgroei reguleert, zij zal alleen het systeem verder destabiliseren. De enige manier om het stelsel te stabiliseren is om de vrije markt gewoon haar werk te laten doen.

In een werkelijk vrije markt is er geen noodzaak om onszelf zorgen te maken of er een ‘correcte’ geldgroei wordt gegenereerd. Geen enkele instelling wordt gevraagd om de geldhoeveelheid te ‘reguleren’ in een vrije markt. Bovendien zal het vrije marktgeld worden geassocieerd met de verhoging van het werkelijk vermogen. Dit in tegenstelling tot het huidige monetaire systeem dat onderhevig is aan inflatie, die vervolgens leidt tot economische verarming.

Dr. Frank Shostak is een Australische economische wetenschapper van de Oostenrijkse School voor Economie en verbonden aan het Mises Instituut in Auburn Alabama in de Verenigde Staten.

Dit artikel is eerder in 2001 verschenen op www.mises.org
Vertaling door Albert Spits.

Geplaatst in monetarisme | Getagd met | Reacties gesloten

Schuldgeld

Door Albert Spits

In mediadiscussies komt naar voren dat veel mensen niet begrijpen waarom ons monetair stelsel is gebaseerd op schuld in plaats van bezit en dit een onhoudbare situatie is op langere termijn voor de economie.

Goudstandaard

Ongeveer een eeuw geleden werd de waarde van het geld nog uitgedrukt in goud. In de laatste helft van de 19e eeuw werd het bi-metale monetaire stelsel, welke zowel goud als zilver als standaard bevatte, vervangen door een goud- of gouden standaard. Dit betekende dat zilver als monetair waardemiddel niet of nauwelijks meer door (centrale) banken werd aangehouden. In plaats daarvan moest een gouden standaard worden geïnstitutionaliseerd. Deze goudstandaard werd op haar beurt weer langzaam maar zeker verruild voor een fractioneel geldstandaard.

Dit begon in Frankrijk en Duitsland omstreeks 1909, toen het duidelijk werd dat beide landen op oorlog afkoersten. De ambtenaren werden vanaf die datum niet meer in goud betaald, maar in papiergeld. Tijdens de eerste wereldoorlog gingen alle landen af van de volledige goudstandaard en werd het vervangen na deze oorlog door een fractionele goudstandaard. Dit hield in dat er geen gouden munten meer in omloop waren in het betalingsverkeer. Alle dagelijkse transacties werden met papier of zilveren munten afgehandeld. Alleen de grote internationale betalingsafwikkeling tussen landen onderling werd nog met goud gedaan. Dit vond plaats in de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel, Zwitserland. Deze laatste werd opgericht speciaal om de herstelbetalingen van Duitsland aan Frankrijk en Engeland te regelen. Deze betalingen vonden plaats in goudfranken tot 1933. Omdat de goudstandaard de facto was afgeschaft, kreeg de internationale bancaire sector carte blanche om geld te drukken, zolang maar aan de minimum depositoverantwoording werd voldaan.

De monetaire expansie nam in de jaren 1920-1929 een grote vlucht, met name in de toen al grootste economie van de wereld: de Verenigde Staten. Vanwege de handelstekorten en vervolgens afname van de goudvoorraden ging Groot-Brittannië van de de facto goudstandaard af. Andere landen volgden in rap tempo, waardoor iedereen handelsbeperkingen oplegden, omdat geen valuta meer veilig bleek om in te handelen, want nagenoeg alle landen maakten zich schuldig aan concurrerende devaluaties om maar de exporten op gang te houden. Nederland was een van de laatste landen die overigens van de goudstandaard afging en wel in 1936.

Fiatgeld

De gevolgen van het drukken van papiergeld waren dat er geen natuurlijke limiet meer bestond voor overheden, in casu centrale banken om de geldhoeveelheid te beperken. Hierdoor onstond een enorme geldhoeveelheidsexpansie vanaf 1914, het begin van de eerste wereldoorlog, tot 1929. De uitkomst was dat veel prijzen stegen, die moeilijk konden worden gecompenseerd. Het gevolg daarvan was dat in de bedrijfskolom degenen die het eerste voordeel hadden van het pas gecreëerde geld de centrale banken waren, dus de overheid. Zij ontvingen direct het geld tegen de oude hogere waarde. De tweede op rij die hierbij voordeel ondervond was de bancaire sector, deze kon het geld weer opnieuw uitlenen na dit tegen een voordelige interbancaire rente te hebben verkregen van de centrale banken. De derde in deze kolom waren de producenten van grondstoffen en halffabrikaten, die de inmiddels gestegen prijzen als gevolg van de gecreëerde inflatie konden doorberekenen aan de fabrikanten, die op hun beurt de distributeurs en zelfstandigen belastten met de gestegen prijzen.

Als laatste in de bedrijfskolom of productie- en consumptieketen kwamen de gesalariëerden en loonwerkers, die helaas niets konden doorbelasten en als ze geluk hadden hun compensatie pas een jaar later vergoed kregen en dan niet met de werkelijke inflatie, maar met de gemanipuleerde indexen, waarmee overheden trachtten te werken. Bovendien, wanneer de fabrikanten of distributeurs niets konden doorberekenen, vanwege de enorme binnen- of buitenlandse concurrentie werd er gezocht naar kostenbesparingen binnen de bedrijven en zoals iedereen weet bestaat bijna elk bedrijf voor ca. 80% uit personeelskosten. Dit was dan ook het eerste wat gebeurde, een deel van het personeel werd ontslagen of afgevloeid. Zo ziet men het perverse effect van fiatgeld op de rest van de economie.

Rentemanipulatie

De volgende kwestie waar de overheid zich mee ging bemoeien was de rentestand. In een hoge inflatiesituatie gaan de rentes omhoog om het banken mogelijk te maken om kapitaal aan te blijven trekken. Daardoor werden langetermijnleningen zoals bedrijfs- en bankobligaties voor spaarders een grote verliespost, want wanneer de rente steeg, vanwege de inflatie de obligaties in waarde afnamen. Het was interessanter namelijk om op korte termijn te sparen om de renteverhogingen bij te benen. Om dit tij te kunnen keren gingen centrale banken over tot de rentemanipulatie, dus naargelang de inflatie steeg werd de rente onder ‘controle’ gehouden, want een hogere rente zou namelijk de investeringen kunnen schaden, zo ging het verhaal. Terwijl in werkelijkheid de rente een middel was om vast te stellen dat het aanbod van kapitaal stagneerde en de vraag onverminderd hoog bleef. De lagere rente werd ingeklonken in het financiële systeem, waardoor er een kunstmatige situatie ontstond. De producenten die hadden geleend voor de aankoop van kapitaalgoederen tegen het oude hogere tarief werden benadeeld ten opzichte van nieuwe lenende producenten die goedkoper zijn productiemiddelen kon inslaan en daardoor minder concurrerend konden zijn, Bovendien daalde de boekwaarde van de productiemiddelen onevenredig snel voor de eersten, waardoor de schuld relatief groter was dan als deze boekwaarde minder snel was gezakt. Er ontstond derhalve een perverse situatie die de centrale banken hadden veroorzaakt en hoe meer er met de rente werd gemanipuleerd hoe nadeliger dit uitpakte zowel voor de langetermijnspaarders als voor de producent.

Arbitrage

Onder de goudstandaard werd de rente bepaald door vraag en aanbod, maar sinds de de facto afschaffing daarvan nam de centrale bank de functie van renteregelaar over en werd het een politiek middel om de economie ‘bij te sturen’. Tijdens de goudstandaard was het normaal als de rente omhoog ging als gevolg van een gebrek aan kapitaal dat dan er meer goud vrijkwam van investeerders om hieraan te voldoen. Wanneer er een overdaad aan spaarkapitaal aanwezig was dan werd een deel van het goud weer teruggetrokken door de spaarders. Dit noemt men ook ‘arbitrage’ en voorzag in een equilibrium op de kapitaalmarkten. Het was tevens een graadmeter voor bedrijven en particulieren om vast te stellen wanneer en hoeveel men kon lenen voor een bepaalde termijn. Dankzij de manipulatie van de overheid is de arbitrage een farce geworden, want in plaats van bestaand kapitaal te gebruiken voor investeringen wordt er nu geld gedrukt om aan de kredietexpansie te voldoen, waardoor er zich een kunstmatige vraag voordoet naar goedkoop kapitaal, zodat het bijna onmogelijk is aan te geven voor hoe lang of hoeveel men moet of kan lenen. De spaarder als kapitaalverschaffer is in dit systeem bijna volkomen buiten spel gezet en is afhankelijk van de overheid voor het rentepercentage dat hij of zij mag ontvangen.

Deze spaarders bestonden voor een groot deel uit gesalariëerde werknemers die hun kapitaal spaarden in goud en zilver. Dit betrof hun vermogensopbouw voor het pensioen, waardoor zij een grote vinger in de pap hadden op het rentebeleid van de bancaire sector. Spaarkapitaal bestaat uit het zogenoemd ‘uitgesteld genot’, met andere woorden, men consumeert niet vandaag, maar stelt het uit tot een latere datum. Daarom werd het gespaard tegen een bepaalde marktconforme rente, waardoor er een accumulatie van het kapitaal ontstond en zodoende men later van een redelijk pensioen kon genieten. Dit goed functionerende systeem werd dus om zeep geholpen door de centrale banken. De uitkomst hiervan waren de hyperinflatoire tijden die ontstonden in o.a. de Weimar-republiek, Nationalistisch China, Brazilië, Mexico en Argentinië.

Kredietbrieven

Kredietbrieven waren een normaal verschijnsel tijdens de werking van de goudstandaard. In feite werd het gerekend tot kortetermijnkrediet voor producenten, distributeurs en kleine zelfstandigen. De internationale handelshuizen hadden deze markt bijna geheel in handen en de bancaire sector had hiermee weinig van doen. De kredietbrieven werden afgegeven aan bedrijven om hun producten te verschepen en te verkopen. Dit handelskrediet werd automatisch bij aankomst en verkoop voldaan. Het kwam zelfs voor dat deze kredietbrieven werden verhandeld door bedrijven onderling en als een soort schuldbekentenis werden gehanteerd, ergo betaalmiddel. Hieraan kwam een einde toen de overheid aan het begin van de vorige eeuw het ‘wettelijk betaalmiddel’ invoerde, waardoor het officieel verboden was om te betalen met andere middelen dan met de papieren valuta die werden uitgegeven. De centrale bank zag hierop toe en gaf de bancaire sector het monopolie op het leveren van krediet. Hierdoor kwam de internationale krediethandel in handen van de banken. Er kwamen nu veel meer andere financiële middelen in omloop zoals staats- en bankobligaties die langzaam maar zeker de kredietbrieven uit de portefuilles van de centrale banken verdrongen. Omdat ook de salarissen van de werknemers werden betaald via de kredietbriefsector was er geen andere manier meer mogelijk om dit marktconform te financieren. Men was volledig afhankelijk van de overheid met haar wettelijke betaalmiddelen. Mede hierdoor kreeg men al in 1910 te maken met iets ongekends: werkloosheid. Omdat de markt niet meer haar werk kon doen door middel van de vloeibare afhandeling via de kredietbriefhandel ten aanzien van de opbrengsten en kosten werden de gesalariëerden hiervan de dupe. Sindsdien is de werkloosheid gebleven en heeft zich verankerd in de economie als iets natuurlijks, terwijl het in werkelijkheid een aanklacht betekent tegen het systeem van fiatgeld en wettelijke betaalmiddelen.

Kredietvormen

In de krediethandel bestaan er twee soorten krediet, deze zijn:

- zelf-liquiderend krediet;
– niet zelf-liquiderend krediet

Zelf-liquiderend krediet betreft een korte- of langetermijnlening uitgegeven ten behoeve van een producent, distributeur of zelfstandige. Deze gebruikt het krediet om bijvoorbeeld kapitaalgoederen, grondstoffen of halffabrikaten te kopen. Hiermee voegt hij waarde toe aan de gekochte goederen die hij weer doorverkoopt aan consumenten of andere producenten. De opbrengsten zorgen voor de aflossing en rente van het krediet. De bedoeling is dat dit krediet zo snel mogelijk wordt ingelost, zodat het bedrijf winstgevender kan opereren in de markt en daardoor de concurrentie de baas kan blijven.

Niet zelf-liquiderend krediet is een korte- of langetermijnlening waarvan het de bedoeling is deze te gebruiken voor consumptieve doeleinden, dat wil zeggen men gebruikt het niet om ermee te kunnen produceren, maar voor de aankoop van consumptieartikelen, zoals huizen, auto’s, stereo’s. plezierjachten etc. In het gunstigste geval wordt het krediet geheel afgelost en in het meest ongunstige geval wordt het krediet nooit afgelost. Bijvoorbeeld een rekening courant of een aflossingsvrije hypotheek.

Het probleem van niet zelf-liquiderend krediet is de opbouw van schuld. Niet alleen van overheden, maar ook die van bedrijven en particulieren. Dankzij het ongelimiteerd drukken van geld stijgen de prijzen in de markt, waaronder natuurlijk die van aandelen en onroerend goed. Vanwege de gestegen prijzen ervaren veel schuldenaren dit als een welkome ontwikkeling, waardoor men gaat speculeren met nog meer geleend geld op deze marktsectoren. Bedrijven worden niet meer opgebouwd, maar overgenomen, grotere villa’s worden gekocht, aandelen worden uitgegeven en aangeschaft etc. De bancaire sector helpt hier graag aan mee, vanwege de ontvangen rente en de commissies die hieraan verdiend worden, allemaal gefaciliteerd door de centrale banken.

Ludwig von Mises beschreef in zijn standaardwerk Human Action (Nationalökonomie) dat dit allemaal eindigt in een depressie, want het krediet wat is uitgegeven moet weer worden afbetaald, hoewel dat onmogelijk zal blijken in een neergaande markt, waar consumenten en bedrijven de middelen niet meer verkrijgen om hun leningen mee af te kunnen lossen. Massale faillissementen zijn in zo’n situatie aan de orde van de dag, waardoor banken en leners hun leengedrag stopzetten. Dientengevolge wordt de rest van de economie aangetast, omdat enerzijds bedrijven ook niet meer aan productief kapitaal, ergo zelf-liquiderend krediet kunnen komen en anderzijds consumenten hun koopgedrag bijstellen. Hierdoor stagneert de productie en zijn bedrijven genoodzaakt hun werknemers geheel of gedeeltelijk te ontslaan. Tijdens de crisis in de jaren 30 is er geprobeerd om de geldhoeveelheid op te krikken om zodoende de consumenten de gelegenheid te geven om te lenen, maar dit bleek tevergeefs, omdat de bancaire sector en de consumenten niet meer bereid waren om in zulke hachelijke tijden langetermijnverplichtingen aan te gaan. Derhalve is een dergelijke monitisering van de economie tot mislukken gedoemd. Sterker nog het kan de crisis alleen nog maar verergeren, want het extra gecreëerde geld vindt via de overheidsbestedingen haar weg in de economie, waardoor de monetaire inflatie toeneemt, terwijl de kredietexpansie afneemt. Met andere woorden men heeft een monetaire inflatie, terwijl er een deflatie van krediet plaatsvindt.

Vandaar dat Ludwig von Mises vertelt dat goede economen productie benadrukken en slechte economen de consumptie proberen te stimuleren. Het eerste heeft te maken met zelf-liquiderend krediet en het tweede met niet zelf-liquiderend krediet.

Marginaal gebruik

Marginaal gebruik is een term van de Oostenrijkse School voor Economie en stelt het volgende vast. Er wordt een aantal zaken geproduceerd, waarvan een bepaald percentage de winst vertegenwoordigt. Deze winst wordt weer gebruikt door bedrijven om hun bedrijven uit te breiden, meer kapitaalgoederen aan te schaffen of extra personeel aan te nemen. Ook kan deze winst worden gebruikt om te worden uitgekeerd aan eventuele aandeelhouders of voor versnelde aflossing van het zelf-liquiderend krediet. Wanneer een bedrijf minder winst maakt dan is dat doorgaans geen probleem, want het kan zijn productie bijstellen, zijn markten verleggen, producten verbeteren of de inzet van het personeel aanpassen. De verminderde winst kan als oorzaak een verminderde productie hebben, omdat de vraag naar producten in een dynamische economie frequent schommelt en dit niet zozeer een probleem hoeft te zijn. John Maynard Keynes meende echter dat een verminderde productie wel degelijk een gevaar vormde en beschreef in zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money dat de overheid hier diende in te grijpen via het rentewapen om de gemiddelde vraag naar producten weer op te krikken door middel van de verlaging van de rente, waardoor de bereidheid om te lenen voor zowel productie als consumptie weer toenam. Hierboven is al geschetst hoe onzinnig dit is geweest en hoe slecht dit heeft uitgepakt voor de economie en waardoor de grote crisis bleef voortduren in de jaren 30.

Essays:

Whither Gold?, Prof. Antal E. Fekete, 29 oktober 1996; Fame.org
The Gold Standard Manifesto, Prof. Antal E. Fekete, 9 januari 2006; Financial Sense
When Atlas Shrugged part I & II, Prof. Antal E. Fekete, 7 oktober 2006, Financial Sense
Overproduction and Underconsumption Fallacies, Prof. George Reisman, 11 januari 2007, Mises Institute
What Does Marginality Mean?, Dr. Robert Murphy, Mises Institute, 8 november 2004
Financial Terrorism against Seniors, Michael W. Hodges, Grandfather Economic Report, 20 november 2004.
On the Manipulation of Money and Credit, Doug Noland, 1 september 2000, Credit Bubble Bulletin

Literatuur:

Value, Costs and Marginal Utility, Eugen von Böhm-Bawerk 1892, vert. Prof. George Reisman, 16 maart 2002, Mises Institute
The Glitter of Gold, Prof. Marc Flandreau, Oxford Scholarship Online, 2004
Measuring Market Integration: Foreign Exchange Arbitrage and the Gold Standard 1874-1913, Eugene Cajels, Gauri Prakash-Cajels, Alan M. Taylor, Centre for Economic Policy Research, augustus 2004
Human Action, Prof. Ludwig von Mises, orig.1949, Von Mises Institute, december 1998.
America’s Great Depression, Prof. Murray Rothbard, Von Mises Institute, 15 juni 2000.
The General Theory of Employment, Interest, and Money, John M. Keynes, orig. 1936, Promotheus Books, mei 1997

Geplaatst in Schuldgeld | Reacties gesloten

Deflatie, de nieuwe werkelijkheid

Door: Albert Spits

Er valt tegenwoordig vaak het woord ‘deflatie’. Wat betekent deflatie? Volgens de definitie is dit het tegengestelde van inflatie, dat wil zeggen: bij inflatie gaan de prijzen van goederen t.a.v. geld omhoog, dus alles wordt duurder. Bij deflatie is dit het tegenovergestelde en gaan de prijzen van goederen t.a.v. geld omlaag, alles wordt dus goedkoper. Zoals elke economische student leert wordt inflatie veroorzaakt door een verhoging van de hoeveelheid geld in de economie, waarvoor tegenwoordig de centrale bank primair verantwoordelijk is. Maar wat veroorzaakt deflatie?

Er zijn in feite twee soorten deflatie:

Er is deflatie veroorzaakt door marktwerking, wat betekent dat de hoeveelheidproductie van goederen toeneemt en de vraag achterblijft, waardoor er een prijsdaling ontstaat van deze goederen. We hebben dat kunnen zien over de laatste twee decennia in de computer- en software-industrie. De hoeveelheid computers en software breidden zich enorm uit in die periode, waardoor de prijzen aanzienlijk daalden. Zo ook met enig ander product. Dit kunnen we samenvatten onder de noemer vrije-marktconcurrentie en is een zeer gezonde ontwikkeling, waardoor bedrijven komen en gaan. Josef Schumpeter noemde dit al ‘creatieve vernietiging’. In de jaren 90 van de 19e eeuw bestond er ook al een dergelijke deflatie, maar dan op elk productieniveau, alhoewel de economische groei niet werd aangetast, omdat toen nog de traditionele goudstandaard van kracht was, wat resulteerde in een stabiele geldhoeveelheid.

Helaas bestaat er nog een ander soort en dat heeft een geheel andere oorzaak. Er bestaat ook een deflatie als de economie ongezonde trekken begint te vertonen, wanneer de productie afneemt terwijl ook de prijzen zakken. In tegenstelling tot de normale deflatoire toestand heeft dit soort deflatie wel degelijk een sinistere oorsprong. Deze deflatie is veroorzaakt door de voorafgaande periode, toen de geldhoeveelheid aanzienlijk werd uitgebreid waardoor alle facetten van het economische leven tot een zeepbel uitgroeiden. We kunnen dit bijvoorbeeld zien in de enorme groei in de aandelenmarkt, de huizenmarkt, de goederenmarkt, de obligatiemarkt etc. De oorsprong van deze groei is de enorme liquiditeit, die beschikbaar werd gesteld door de bancaire sector met actieve hulp en medeweten van de centrale bank. De bancaire sector is gemachtigd door de centrale bank om liquiditeit (geld) ter beschikking te stellen op het gebied van leningen en hypotheken. De uitgifte daarvan gebeurt door de diverse banken met ondersteuning van de centrale bank.

Men zal zich afvragen waar deze liquiditeit vandaan komt. Die komt feitelijk uit het niets. Als een bank een lening of hypotheek beschikbaar stelt aan de lener, dan creëert deze bank geld uit het niets om deze te financieren. Wanneer de lening of de hypotheek geheel wordt terugbetaald, dan verdwijnt dit geld weer in het niets. De bank ontleent zijn bestaansrecht aan de rente, die men ontvangt, want van het geld uit het niets kan men niet bestaan omdat daarover weer rente moet worden betaald aan de centrale bank (interbancaire rente) – die ook wordt vastgesteld door de laatste. Het verschil in de rentes, die de bank aan de centrale bank moet betalen en de rente die men ontvangt betreft dus de ‘winst’ van de bank. Dit is bekend onder naam fiatgeld, want er staat geen enkele tegenwaarde ten opzichte van dit ‘geld’, het is in feite gebakken lucht.

Er bestaat ook een andere mogelijkheid om geld uit te lenen en dat is via deposito (spaarrekeningen), die de bank ontvangt van de lener, dientengevolge de bank dit weer kan uitlenen door middel van leningen of hypotheken, maar ook hier is er een gigantische adder onder het gras, want de bank leent dit niet een keer uit, maar een meervoud daarvan. In het geval van Nederland is dit doorgaans zes maal. Dit staat bekend als fractioneel bankieren, oftewel er is maar een klein deel gedekt door echte waarde (deposito) en het meeste van dit ‘geld’ is ook gebakken lucht.

U begrijpt, dat dit voor enorme problemen kan zorgen, als

a. de lening of hypotheek wordt terugbetaald, of
b. als de lener of hypotheekgever failliet gaat en niet wordt terugbetaald.

In beide gevallen verdwijnt de lening en hypotheek in het niets, omdat deze liquiditeit geen enkele waarde vertegenwoordigt, zodoende verdwijnt dit geld voorgoed uit de economie, dus de liquiditeit in de economie gaat omlaag als er geen andere leners zijn om deze leningen weer aan te gaan.

Een goed voorbeeld om dit te verduidelijken is, als iemand een auto verhuurt aan een klant, waarvoor de autoverhuurder een vergoeding ontvangt (de huurprijs). Als de klant na een periode de auto terugbrengt kan deze zelfde auto weer worden verhuurd aan een ander, dus heeft de autoverhuurder iets van waarde uitgeleend (verhuurd) en ontvangt deze waarde weer terug. Dit betekent dat deze waarde niet verloren is gegaan, want de waarde (auto) bestaat nog steeds en kan opnieuw worden gebruikt door de autoverhuurder of de klant.

In de tijd van de traditionele goudstandaard, tot aan 1914, vertegenwoordigde de liquiditeit echte waarde, dat wil zeggen goud en zilver, zowel ten aanzien van deposito (spaarrekeningen) als in het dagelijks leven (gouden tientjes, zilveren guldens, dubbeltjes en kwartjes). Wanneer een lening werd afbetaald kon dit geld weer worden gebruikt voor andere financieringsdoeleinden en bleef het in de economie bestaan.

In het geval van fiat- en fractioneel geld daarentegen staat weinig tot geen waarde. Zoals eerder gezegd; als een lening of hypotheek wordt terugbetaald dan verdwijnt het geld voorgoed uit de economie. Dit verklaart dan ook de liquiditeitscrisis, die ontstaat na een periode van een uitbundig fiat- en fractioneelgeldbeleid. Als door welke reden dan ook de financiële zeepbel uit elkaar spat (bijv. aandelenmarkt, onroerendgoedmarkt e.d.), kunnen de leningen en hypotheken niet meer worden terugbetaald. De bancaire sector verzeilt dan in een bankcrisis, waardoor:

a. de liquiditeit verdwijnt;

b. de rente niet meer wordt betaald;
c. de waarden van de beleende onderpanden (aandelen, onroerend goed etc.) afgenomen zijn en deze de leningen of hypotheken niet meer kunnen dekken, omdat:

1. de waarde is weggevaagd of drastisch verminderd en
2. deze zich in een dergelijke periode op een duidelijke en gruwelijke aanbodsmarkt zullen bevinden, waardoor deze moeilijker, zoniet onmogelijk te verkopen zijn.

Tijdens de crisis van de jaren 30 hebben zich deze problemen voorgedaan als gevolg van de enorme geldhoeveelheidexpansie van de jaren 20. Veel banken en financiële instellingen gingen ‘bankroet’, omdat men niet meer aan de verplichtingen jegens de depositohouders en de centrale banken kon voldoen. Het geld was er eenvoudigweg niet meer. De exact zelfde situatie speelt zich nu opnieuw af vanwege de enorme geldhoeveelheidexpansie die zich heeft voorgedaan in de Verenigde Staten en Europa tijdens de jaren 90, die men de ‘nieuwe economie’ noemde, omdat er geen recessies meer zouden zijn en men een permanent plateau van economische voorspoed zou meemaken. Dit heeft wereldwijd tot enorme financiële excessen geleid, waardoor de aandelenmarkt en de onroerend goedsector tot ongekende hoogte zijn gestegen. Alles werd met geleend (lees fiat- en fractioneel) geld gefinancierd tot aan overnames en fusies van bedrijven aan toe. Al deze schulden moeten worden afbetaald, maar dit kan alleen in een situatie met stijgende prijzen waardoor de waarde van de schulden afneemt. Vanuit deze optiek wordt deflatie als een enorme bedreiging ervaren, omdat dan de schulden in waarde zullen stijgen en de verkopen in waarde dalen, wat funest is voor zowel bedrijven, banken als leners.

Daarom zullen de centrale banken zich gaan bezighouden met het enorm oppompen van de geldhoeveelheid om desnoods geforceerd de liquiditeit in de economie te verhogen. Dit Keynesiaanse gedachtegoed is nog steeds in zwang bij deze groep, omdat dit voor hen nog het enige houvast biedt om deze crisis het hoofd te bieden. We hebben al aan Japan kunnen zien dat dit een nutteloze ingreep is, want tijdens de liquiditeitscrisis en de deflatoire situatie is geen enkele lener meer bereid om zichzelf nog meer in de schuld te steken, terwijl geen enkele bank bereid zal zijn verdere leningen of hypotheken te verstrekken als men weet dat deze nauwelijks of niet kan worden terugbetaald in de toekomst.

De enige oplossing voor deze aanhoudende crisis is een directe sanering van de kapitaalmarkt, waardoor de deflatoire crisis op een natuurlijke manier kan uitwoeden. Dit houdt in dat er een halt moet worden toegeroepen aan de desastreuze renteverlagingen, waardoor depositohouders, pensioen- en beleggingsfondsen gedwongen zijn om andere investeringen op te zoeken in de hoop de lagere rendementen op te krikken d.m.v. beleggingen in op dit moment extreem riskante instrumenten zoals aandelen, bedrijfsobligaties en onroerend goed. Als de rentestand wordt aangepast aan de vraag, dan is er geen enkele reden om uit te gaan van een redelijk rendement voor investeerders en wordt de opbouw van vaste onderliggende waarden verzekerd. Als men de rente blijft verlagen zoals in Amerika en Japan is gebeurd, dan voorspel ik een enorme mondiale liquiditeitscrisis, waardoor de economische ellende niet meer te overzien is en de wereld in een grote crisis a la jaren 30 zal worden gedompeld. Ook moet men ophouden liquiditeit te blijven pompen in het financiële systeem – de onophoudelijke geldstroom vanuit de centrale bank richting bancaire sector – want dit zorgt enerzijds voor een verlenging en uitrekking van de crisissituatie en staat de broodnodige sanering van het financiële systeem in de weg en anderzijds is dit een nutteloze bezigheid, want de bereidheid om geld te lenen is tot nul gereduceerd zoals de Japanse ervaring ons sinds 1989 leert. Het is als het ware het toedienen van een bloedtransfusie op een lijk.

Afgaande op de geluiden binnen de diverse overheden en centrale banken vrees ik echter dat we nu aan het begin staan van een tweede grote crisis, die de crisis van de jaren 30 in ieder geval zal evenaren en vrijwel zeker zal overtreffen. De verwachting is dat deze zeker tot 2012-2015 zal voortduren. Dat betekent in reële termen het volgende:

1. een verdere inzakking van de aandelenmarkt (een AEX van 70);
2. een instorting van de onroerend-goedmarkt (tot ca. 30% van de oorspronkelijke waarde);
3. een hoge werkloosheid (voor Nederland meer dan 1 miljoen werklozen);
4. faillissementen (ca. 20% van Nederlandse huishoudens komt in zware financiële problemen);
5. bedrijvigheid neemt af (ca. 30% van bedrijven gaat failliet);
6. het Bruto Binnenlands Product neemt zienderogen af (meer dan 25%);
7. de export en wereldhandel zal stagneren of afnemen.

Het is ook mijn voorspelling dat na deze huidige crisis de traditionele goudstandaard weer zal worden ingevoerd, onder enorme druk van de mensen zelf, waartegen de overheden niet langer bestand zullen zijn.

Bronnen:

Essays:

  • Hayek on Industrial Fluctuations; Robert Garrison, 1 mei 2003, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Destroying an economy to save it; Sean Corrigan, 24 april 2003, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Does a falling money stock cause economic depression; Frank Shostak, 18 april 2003, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Sound money and the business cycle; John P. Cochran, 24 maart 2003, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Explaining Japan’s recession; Benjamin Powell, 3 december 2002, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Salvation by printing press; William L. Anderson, 8 november 2002, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • Is the gold standard history?; Llewellyn H. Rockwell Jr.; 27 september 2002, Ludwig von Mises Institute, Auburn AL. USA
  • The perils of deflation; Hans F. Sennholz, 3 april 2003, Sennholz.com
  • Deep in debt, deep in danger; Hans F. Sennholz, 23 april 2002, Sennholz.com
  • The long wave analyst, Vol. V, Issue I; Ian Gordon, januari 2003
  • Blind Faith; Eric J. Fry, 2 mei 2003, Apogee Research, Financial Sense Online
  • Mogamba Guru; Richard Daughty, 28 april 2003, Investment Rarities Inc.
  • Exploiting the delusions of Money; Ed Burgos, 22 april 2003, The Goldenbar Report, Financial Sense Online
  • Weapons of monetary destruction; Ned W. Schmidt, 22 april 2003, Financial Sense Online
  • Japanitis; Jeroen de Boer, 26 april 2003, Elsevier Magazine
  • D-woord; Paul van Engen, 25 april 2003, Beleggers Belangen
  • In drie jaar 8 mld. aan pensioen verdampt; Menno Tamminga, 17 februari 2003, NRC Handelsblad
  • Gaten in de pensioendeken; Adriaan Hiele, 9 november 2002, NRC Handelsblad
  • Deflatiespookpijn; Adriaan Hiele, 25 januari 2002, NRC Handelsblad
  • Langer werken en harder sparen; Maarten Schinkel, 21 december 2002, NRC Handelsblad
  • Ingrepen bij pensioenfondsen geëist; Red., 25 september 2002, Het Financieele Dagblad
  • Tot je nek in de hypotheekschuld; Jochen van Barschot, 6 juli 2002, NRC Handelsblad

Literatuur:

  • Human Action, A Treatise on Economics; Ludwig von Mises, 1949, Ludwig von Mises Institute, Auburn Al USA
  • On the Manipulation of Money and Credit, Ludwig von Mises, 1923-1946, Free Market Books, Dobbs Ferry NY USA
  • America’s Great Depression, Murray Rothbart, 1963, Ludwig von Mises Institute, Auburn Al USA
  • The Creature from Jekyll Island, G. Edward Griffin, 1998, American Media, Westlake Village CA USA
  • Capitalism, Socialism and Democracy, Joseph. A. Schumpeter, 1942, (1975 ed.) Harper NY USA
  • The Misesian case against Keynes, Hans-Hermann Hoppe, 1992, Praeger New York NY USA
Geplaatst in deflatie | Getagd met , | Reacties gesloten